Tuchtrecht

Samenstellers werken mee aan ontduiken controleplicht

Een registeraccountant en een accountant-administratieconsulent stellen de jaarrekeningen samen van twee Energieflex-dochters, die controleplichtig zijn. Bij het samenstellen gaan zij ten onrechte uit van de continuïteitsveronderstelling.

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zaaknummers:
23/1107 en 23/1118
Datum uitspraak:
23 juni 2026
Oordeel:
hoger beroep ongegrond, klacht deels gegrond
Maatregel:
2 x tijdelijke doorhaling voor 6 maanden
Status:
definitief
Vindplaats:
ECLI:NL:CBB:2026:284

» Direct naar annotatie

Lex van Almelo

Belangrijkste feiten

De Energieflex Groep* bestaat onder meer uit drie dochtervennootschappen. Eén daarvan richt zich op klanten die in de schuldsanering zitten of anderszins van doen hebben met schuldhulpverlening. In september 2017 bevestigt een registeraccountant de opdracht om over 2016 de jaarrekeningen samen te stellen voor het groepshoofd en zijn dochtermaatschappijen. Hij geeft in december 2017 een samenstellingsverklaring af.

In die verklaring wordt een stelselwijziging voor dubieuze debiteuren toegelicht. Die wijziging is per 2016 ingevoerd om het inzicht te verbeteren. De waardering van de voorziening dubieuze debiteuren is voortaan gebaseerd op een dynamische berekening, omdat dit beter past bij de aard van het bedrijf. De voorziening valt hierdoor 3.445.705 euro hoger uit, maar beïnvloedt het resultaat niet.

Op verzoek van de Belastingdienst worden twee dochtervennootschappen failliet verklaard, waarna het groepshoofd het faillissement van Energieflex aanvraagt. De curator dient bij de Accountantskamer een klacht in tegen de registeraccountant, tegen de feitelijke samensteller en tegen de relatiemanager van deze klant; laatstgenoemden zijn beiden accountant-administratieconsulent. De registeraccountant en de samenstellend AA hebben volgens de curator ten onrechte een samenstellingsverklaring afgegeven bij de jaarrekeningen over 2016. Daarbij zou de relatiemanager een instrumentele rol hebben gespeeld.

De curator klaagt er bij de Accountantskamer over dat:

  1. de registeraccountant de samenstellingsopdracht voor de verkoopdochter en het groepshoofd heeft geaccepteerd, terwijl hij wist of moest weten dat deze controleplichtig waren en zich aan de controleplicht zouden onttrekken, wat ook de relatiemanager valt te verwijten;
  2. er onjuistheden in de jaarrekeningen staan, die de registeraccountant en de samenstellend AA onvoldoende professioneel-kritisch hebben beoordeeld;
  3. de registeraccountant zich tijdens een bespreking met de curator agressief en bedreigend heeft opgesteld;
  4. de relatiemanager niet integer heeft gehandeld.

De Accountantskamer verklaart de klacht tegen de verantwoordelijke registeraccountant en de samenstellende accountant-administratieconsulent deels gegrond en legt beiden een tijdelijke doorhaling voor zes maanden op. De klacht tegen de relatiemanager is ongegrond. De curator, de RA en de samenstellend AA gaan in hoger beroep tegen dit vonnis.

Hogerberoepsgronden

De curator richt zich tegen de overwegingen over de post (dubieuze) debiteuren in de jaarrekening van één van de dochters (klachtonderdeel b).

De accountants keren zich tegen de gegrondverklaring van de klachtonderdelen a en b en de opgelegde maatregel.

Oordeel

Het hoger beroep van zowel de curator als de accountants is ongegrond.

Klachtonderdeel a Aanvaarding samenstellingsopdracht

Op grond van artikel 2:393 lid 1 BW hebben middelgrote en grote ondernemingen een controleplicht. Als een rechtspersoon op twee opeenvolgende balansdata heeft voldaan aan twee van de drie vereisten uit artikel 2:396 lid 1 aanhef en onder a tot en met c dan is deze (kleine) rechtspersoon vrijgesteld van de controleplicht.

In Standaard 4410 staat (bij punt 24 aanhef en onder d) dat de accountant de samenstellingsopdracht alleen kan aanvaarden als de opdrachtgever akkoord is gegaan met de verantwoordelijkheden van de accountant en het vereiste om relevante ethische voorschriften na te leven. Voor het aanvaarden van een samenstellingsopdracht moet de accountant dus ook kijken of deze maatregelen moet treffen tegen niet-integer handelen door de klant. Het college vindt net als de Accountantskamer dat een rechtspersoon niet-integer handelt als deze niet voldoet aan de controleplicht.

In de opdrachtbevestiging staat onder het kopje 'Wettelijke controleplicht' dat:

  • de twee (failliete) dochters van Energieflex in de boekjaren 2015 en 2016 voldeden aan de criteria voor een middelgrote rechtspersoon;
  • deze vennootschappen dus middelgrote rechtspersonen zijn;
  • zij hun jaarrekeningen aan controle hadden moeten onderwerpen;
  • het kantoor over het boekjaar 2016 een samenstelopdracht uitvoert;
  • wettelijk gezien over dit boekjaar een controleopdracht verstrekt had moeten worden aan een kantoor met de benodigde AFM-vergunning.

Het kantoor wijst er vervolgens op dat de consequenties van niet voldoen aan de wettelijke controleplicht kunnen zijn dat:

  • de ava de jaarrekeningen niet kan vaststellen, waardoor de onderneming niet kan voldoen aan de publicatieplicht en de bestuurdersverantwoordelijkheid;
  • een eventuele dividenduitkering nietig is;
  • iedere belanghebbende in rechte de naleving van de accountantscontroleplicht kan vorderen;
  • er sprake is van een economisch delict met een eventuele boete als gevolg;
  • directie en aandeelhouders persoonlijk aansprakelijk kunnen zijn in het geval van een faillissement.

Het kantoor adviseert Energieflex voor het boekjaar 2017 een controleopdracht te verstrekken voor de twee dochters. De accountant kan daarvoor zorgen binnen de groep waartoe het kantoor behoort.

Uit deze opdrachtbevestiging volgt dat de accountant de samenstellingsopdracht heeft aanvaard, terwijl hij wist dat de vennootschappen controleplichtig waren. De RA heeft daartegen geen maatregelen getroffen. Op de zitting van het college hebben de RA en de AA gezegd dat uit de opdrachtbevestiging blijkt dat zij hebben aangedrongen op een controleopdracht over 2016. Het college leest daarin echter alleen dat de accountants de klant alleen hebben geadviseerd om voor het boekjaar 2017 een controleopdracht te verstrekken.

De RA heeft op de zitting van het college verklaard dat de twee dochterondernemingen bij het afgeven van de samenstellingsverklaringen niet controleplichtig waren, terwijl hij in de opdrachtbevestiging schreef van wel. Het is een accountant niet toegestaan een samenstellingsopdracht van een controleplichtige cliënt te aanvaarden als het duidelijk is of moet zijn dat de klant zich aan de controleplicht zal onttrekken.

Klachtonderdeel b Onjuistheden in jaarrekeningen

Uit Standaard 4410 (punt 6) volgt dat een accountant bij een samenstellingsopdracht niet verplicht is de nauwkeurigheid of volledigheid te verifiëren van de informatie die het management heeft verschaft dan wel anderszins onderbouwende informatie te verzamelen om een controleoordeel of een beoordelingsconclusie tot uitdrukking te brengen over het opstellen van de historische financiële informatie. Het management blijft (volgens punt 7 van Standaard 4410) verantwoordelijk voor de historische financiële informatie en voor de basis waarop deze is opgesteld en gepresenteerd.

Als de accountant zich er tijdens de samenstellingsopdracht van bewust wordt dat de vastleggingen, documenten, uitleg of overige informatie – inclusief significante oordeelsvormingen, die het management verschaft – niet compleet, niet nauwkeurig of anderszins onbevredigend zijn, moet de accountant dat volgens punt 32 van Standaard 4410 onder de aandacht van het management brengen. De accountant moet ook om aanvullende of gecorrigeerde informatie vragen.

Het college onderschrijft het oordeel van de Accountantskamer dat de RA niet zonder nadere informatie mocht uitgaan van de informatie van het management. De manier waarop voorschotnota’s werden verantwoord, was in de jaarrekening 2016 namelijk anders dan in de jaarrekening 2015. Daarbij werden voorschotnota's geboekt als omzet in plaats van als overlopend passief. Het gaat hier om significante oordeelsvorming over een belangrijk aspect in de jaarrekening.

Subonderdeel 2 Foutherstel vergelijkende cijfers

Volgens zowel de RJ 150.204 als de RJk A3.307 moet een rechtspersoon het in de toelichting van de jaarrekening vermelden als een materiële fout is hersteld. Hierbij moet de rechtspersoon ook aangeven wat het effect daarvan is en hoe groot de fout was. In de jaarrekening van de dochter is het foutherstel over vooruit ontvangen bedragen onvoldoende toegelicht.

Volgens de toelichting ging het bij het foutherstel om meerdere posten en dus meerdere fouten. Uit RJ 150.204 en RJk A3.307 volgt dat een rechtspersoon in de toelichting van de jaarrekening voor elke materiële fout afzonderlijk moet vermelden welke fout is hersteld, wat het effect van het herstel van de fout is, wat de aard is van de fout en – voor zover van toepassing – hoe groot de fout is.

Subonderdeel 3 (Dubieuze) debiteuren

Volgens de curator heeft de Accountantskamer zijn klacht te beperkt opgevat en is zij ten onrechte niet ingegaan op:

  • de inconsistenties in het verweerschrift van de accountants;
  • de toelichting in de jaarrekening;
  • de mededelingen van de accountants aan de curator over de waardering van de (voorziening dubieuze) debiteuren.

Het college wijst erop dat de Accountantskamer een klacht zakelijk mag samenvatten, zeker als die omvangrijk is. Als het nodig is om de klacht te beoordelen en de beslissing daarover deugdelijk te motiveren, moet de kamer ingaan op de geconstateerde essentiële inconsistenties in het verweer van de betrokken accountant, waarop de klager de kamer concreet heeft gewezen. In hoger beroep heeft de curator onvoldoende onderbouwd dat de Accountantskamer daaraan ten onrechte geen aandacht heeft geschonken.

Volgens de RA en de AA heeft de Accountantskamer ten onrechte gezegd dat de post dubieuze debiteuren onjuist is toegelicht en verantwoord. Het college onderschrijft het oordeel van de Accountantskamer dat de RA in de toelichting op de jaarrekening niet voldoende duidelijk heeft gemaakt wat de correctie op de debiteuren en de voorziening voor oninbaarheid feitelijk inhield en vooral wat het effect van deze correctie op het vermogen en het resultaat is geweest.

Volgens RJ 150.204 en RJk A3.307 moet een rechtspersoon bij herstel van meerdere materiële fouten, in de toelichting van de jaarrekening namelijk voor elke materiële fout afzonderlijk vermelden welke fout is hersteld, wat het effect van het herstel van de fout is, evenals de aard van de fout en voor zover van toepassing de omvang van de fout.

De accountant heeft over de wijziging in de toelichting op de jaarrekening geschreven dat:

  • de stelselwijziging een effect van 3.445.705 euro in de debiteuren en de daarvoor opgenomen voorziening dubieuze debiteuren heeft;
  • dit in het verleden afgeboekte debiteuren betreft, die voorzien hadden moeten worden;
  • er per saldo geen effect is voor het resultaat.

Op de zitting van het college heeft de RA verklaard dat hij de wijziging in de bepaling van de post voorziening dubieuze debiteuren in de toelichting op de jaarrekening ten onrechte een stelselwijziging heeft genoemd, omdat er sprake is van een schattingswijziging.

In zowel de RJ 145.202 als de RJk A3.204 staat dat het soms moeilijk is een schattingswijziging te onderscheiden van een stelselwijziging. Als het onderscheid niet duidelijk is, moet de wijziging worden verwerkt als een schattingswijziging met een adequate toelichting. De toelichting van de accountant is dus niet adequaat.

Volgens de curator is de Accountantskamer ten onrechte niet ingegaan op zijn stelling dat de accountant de voorziening voor dubieuze debiteuren in de jaarrekening 2016 niet had mogen bepalen op basis van de dynamische methode. Naar het oordeel van het college heeft de Accountantskamer hier wel over geoordeeld, namelijk met de overweging dat de RA in de toelichting op de jaarrekening niet voldoende duidelijk heeft gemaakt wat de correctie op de debiteuren en de voorziening voor oninbaarheid feitelijk behelsde en vooral wat het effect van deze correctie op het vermogen en het resultaat is geweest. Die overweging bestaat eruit dat de jaarrekening onvoldoende inzicht geeft in de (gevolgen van de) stelselwijziging die volgens de accountant was doorgevoerd.

Subonderdeel 4 Te verrekenen gas- en elektriciteitslevering

Twee posten nog te betalen reconciliatie zijn opgenomen in de jaarrekening 2016 van de verkeerde bv.

Subonderdeel 5 Continuïteitsveronderstelling

Op grond van artikel 2:384 lid 3 BW wordt bij de waardering van activa en passiva uitgegaan van de continuïteitsveronderstelling, tenzij die onjuist is of haar juistheid aan gerede twijfel onderhevig is. In het laatste het geval wordt dit uiteengezet in de toelichting, waarbij de invloed op vermogen en resultaat wordt aangegeven. Verder staat in Standaard 4410.A57 wat de accountant kan doen als deze onzekerheden ziet over het vermogen van de entiteit om haar continuïteit te handhaven. Zo kan de accountant voorstellen doen waarin duidelijker wordt gepresenteerd of toegelicht hoe de entiteit:

  • haar continuïteit kan handhaven;
  • het verslaggevingsstelsel kan naleven;
  • kan voorkomen dat de historische financiële informatie misleidend is.

Toen de samenstellingsverklaring werd afgegeven, was het volgens het college aan gerede twijfel onderhevig of de dochter-bv het geheel van haar werkzaamheden zou voortzetten. Het college is het dan ook met de Accountantskamer eens dat de RA ten onrechte een passende toelichting achterwege heeft gelaten. Onder meer omdat:

  • de dochter een regeling met de Belastingdienst had getroffen om te voorkomen dat haar faillissement zou worden uitgesproken, dat de fiscus in het voorjaar van 2017 had aangevraagd;
  • de dochter volgens de regeling 4,2 miljoen euro moest betalen aan de Belastingdienst en tot 15 april 2018 uitstel van betaling had gekregen voor circa 875.000 euro;
  • de dochter ondanks deze afspraak de energiebelasting juli en augustus 2017 niet betaalde;
  • de Belastingdienst het uitstel van betaling daarom introk en aankondigde het faillissement aan te vragen, tenzij de dochter voor 24 november 2017 ruim 4 miljoen euro zou betalen aan de Belastingdienst.

Op de zitting bij de Accountantskamer heeft de accountant bevestigd dat bankfinanciering noodzakelijk was voor de continuïteit. Met de lening van 4,5 miljoen euro werd de energiebelasting aan de Belastingdienst betaald. De lening moest volgens de overeenkomst worden afgelost vóór september 2017, maar dat is niet gebeurd. De accountant heeft dit in hoger beroep niet betwist. In de procedure bij de Accountantskamer heeft hij gesteld dat de bank hem telefonisch heeft bevestigd dat zij de financiering niet zou intrekken.

De medewerking van de bank stond dus niet vast toen de samenstellingsverklaring werd afgegeven, maar was ook niet uitgesloten. Op de zitting van het college heeft de RA desgevraagd verklaard dat hij het telefoongesprek met de bank niet schriftelijk heeft vastgelegd.

Op de zitting bij het college heeft de RA desgevraagd ook verklaard dat hij mocht uitgaan van de continuïteitsveronderstelling, omdat hij de dochter tijdens de bespreking met het management in december 2017 al had gewaarschuwd dat de investeringen niet hoger dan de cash flow mochten zijn, zoals in 2016 het geval was. De accountant wijst op het verslag van deze bespreking. Daarin staat dat:

  • de investeringen in 2016 hoger waren dan de cashflow;
  • de liquiditeit alleen niet in gevaar is gekomen, omdat de btw en energiebelasting niet werden betaald;
  • in de toekomst betalingsonmacht moet worden gemeld;
  • het nu uiteindelijk goed is gekomen doordat er afspraken met de Belastingdienst zijn gemaakt.

Volgens het college waren er dus onzekerheden over het vermogen om de continuïteit te handhaven. Ook daarom was een passende toelichting nodig op de continuïteitsveronderstelling.

Subonderdeel 6 Foutherstel vergelijkende cijfers 2015

Het college is het met de Accountantskamer eens dat de curator terecht heeft geconstateerd dat de jaarrekeningen van twee dochters niet op elkaar aansluiten. Hiervoor heeft het college al gezegd dat de andere dochter debiteur was en de twee posten 'nog te betalen reconciliatie' in de jaarrekening 2016 van de verkeerde dochter was opgenomen. De accountant heeft ook ten onrechte nagelaten een vordering van de ene op de andere dochter inzake deze posten op te nemen alsmede een schuld van de andere dochter aan twee derden.

Subonderdeel 7 Foutherstel niet geconsolideerd

De toelichting op de jaarrekening 2016 van één van de dochters geeft onvoldoende inzicht waarom de vergelijkende cijfers over 2015 in de geconsolideerde en de enkelvoudige jaarrekening 2016 van één van de dochters niet op elkaar aansluiten. De gebruikers van de jaarrekening moeten zelf in die jaarrekening het antwoord zoeken op de vraag waarom. Daarmee is niet het vereiste inzicht verschaft, zoals bedoeld in artikel 2:362 van het BW.

Tussenconclusie RA

De klachtonderdelen a en b zijn terecht gegrond verklaard voor zover die de RA betreffen.

De RA heeft meegewerkt aan het samenstellen van de jaarrekeningen van een controleplichtige rechtspersoon en het ontwijken van de controleplicht. De accountant is betrokken bij dit niet-integer handelen en heeft daartegen ten onrechte geen maatregel getroffen. Zo had hij de samenstellingsopdracht kunnen weigeren. De RA heeft daardoor in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van integriteit en het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

De jaarrekeningen die hij heeft samengesteld bevatten onjuistheden, waardoor deze niet het vereiste inzicht verschaffen. De accountant heeft ten onrechte een samenstellingsverklaring bij de jaarrekeningen verstrekt en daarmee het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden.

Verwijtbaarheid AA

De accountants hebben aangevoerd dat de AA niet of alleen zijdelings betrokken was bij de samenstelwerkzaamheden en dat hij daarvoor niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden. Zo heeft hij destijds als beginnend beroepsbeoefenaar alleen een samenstelwaardige kolommenbalans gemaakt in de voorbereidende fase. Pas daarna begonnen de samenstelwerkzaamheden. Verder was hij relatiebeheerder voor de Energieflex Groep en onderhield hij contacten met één van de failliete dochters. Ook was hij het aanspreekpunt voor vragen van een assistent-accountant die de RA assisteerde bij de samenstellingswerkzaamheden.

Het college vindt dat de AA vakinhoudelijk zo betrokken was bij de samenstelwerkzaamheden dat hij daarvoor beroepsmatig (mede)verantwoordelijk is. De accountants hebben niet aannemelijk gemaakt dat de rol van de AA beperkt was tot die van uitvoerend assistent en relatiebeheerder.

Zo staan de initialen van de AA op een Begeleidingsformulier bij de rubriek 'samenstelwaardige kolommenbalans' en op de jaarrekeningen 2016. Ook wordt hij in een mail als samensteller aangeduid en heeft de RA de conceptjaarrekening op dezelfde dag verstuurd als de samenstelwaardige kolommenbalans, die de AA als uitvoerend assistent heeft opgesteld. Pas in hoger beroep hebben de accountants aangevoerd dat de AA ook relatiebeheerder was die de contacten met de groep onderhield. Het college vindt het opmerkelijk dat de accountants nu pas wijzen op deze rol. Gezien het voorgaande betwijfelt het college de geloofwaardigheid van die stelling.

Tussenconclusie AA

De Accountantskamer heeft de klachtonderdelen a en b terecht ook gegrond verklaard ten aanzien van de AA. Ook hij heeft meegewerkt aan een samenstellingsopdracht van controleplichtige rechtspersonen zonder te beklemtonen dat zij controleplichtig waren. Hij was betrokken bij het niet-integere handelen van de RA en had een maatregel moeten treffen om dat te beëindigen. Door dit na te laten heeft hij in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van integriteit. Wat de fouten in de jaarrekeningen betreft, heeft de AA in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.

Maatregel

Tijdelijke doorhaling voor zes maanden.

De accountants vinden een maatregel niet terecht en de tijdelijke doorhaling voor zes maanden al helemaal. De AA vindt voor hem een lichtere maatregel op zijn plaats dan voor de RA, omdat hij pas sinds 2016 als accountant is ingeschreven en hij alleen ondersteunende en administratieve werkzaamheden heeft verricht voor het samenstellen van de jaarrekening 2016 van de drie dochters. Het college vindt net als de Accountantskamer dat zowel de RA als de AA in strijd hebben gehandeld met het fundamentele beginselen van integriteit respectievelijk vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Weliswaar was de vakinhoudelijke betrokkenheid van de RA bij de samenstelwerkzaamheden groter dan die van de AA, maar de AA heeft in de procedures bij de Accountantskamer en het college inconsistente en ongeloofwaardige verklaringen afgelegd over zijn rol bij de samenstelwerkzaamheden. Daarbij heeft hij ten onrechte geprobeerd zijn rol te beperken tot die van uitvoerend assistent en relatiebeheerder. Dat hij pas in 2016 als accountant is ingeschreven, doet er niet toe. Vanaf het moment van inschrijving is een accountant tuchtrechtelijk verantwoordelijk. 

Bovendien volgt uit vaste rechtspraak (bijvoorbeeld deze  en deze uitspraak ) dat het college het bij het bepalen van de maatregel uitdrukkelijk meeweegt als de accountant het fundamentele beginsel van integriteit heeft geschonden, omdat dit een zeer ernstig verwijt is.

Verder hebben beide accountants volhard in hun opstelling dat de RA de samenstellingsopdracht kon aanvaarden zonder maatregelen te treffen, terwijl het hem duidelijk moet zijn geweest dat twee van de drie dochters geen controleopdracht zouden verstrekken. De RA heeft bovendien ten onrechte meegewerkt aan het ontgaan van de controleplicht. De accountants zien dus niet het laakbare van hun handelen en nalaten in.

Annotatie Lex van Almelo

In de nasleep van het faillissement van Energieflex* dient de curator een klacht in tegen een RA en twee AA's van een keurig accountantskantoor. De RA geeft als opdrachtpartner een samenstellingsverklaring af bij de jaarrekeningen van twee dochter-bv's. Eén AA doet feitelijk samenstelwerk; de tweede AA is relatiebeheerder op het Energieflex-account. De klacht tegen de relatiebeheerder wordt ongegrond verklaard; die tegen de RA en de samenstellend AA grotendeels gegrond. In hoger beroep bevestigt het College van Beroep voor het bedrijfsleven de tijdelijke doorhaling van zes maanden die de Accountantskamer oplegde.

De kern van de uitspraak is dat een accountant geen samenstellingsopdracht mag aanvaarden als het duidelijk is of moet zijn dat de klant zich aan de controleplicht zal onttrekken. De RA heeft – ondanks zijn advies het komend jaar een ander kantoor in te schakelen voor een controle – feitelijk meegewerkt aan het ontduiken van de controleplicht. De AA heeft zich hier niet tegen verzet. Daardoor hebben beiden niet-integer gehandeld.

Verder zijn de twee bij het samenstellen op verschillende punten slordig geweest. Zij hebben voorschotnota's geboekt als omzet in plaats van als overlopend passief, zonder dit toe te lichten in de jaarrekening. In de jaarrekening van de dochter is het foutherstel over vooruit ontvangen bedragen onvoldoende toegelicht. De accountants hadden voor elke materiële fout afzonderlijk moeten vermelden welke fout is hersteld, wat het effect daarvan is en wat de aard en omvang van de fout is. Twee posten voor 'nog te betalen reconciliatie' zijn opgenomen in de jaarrekening 2016 van de verkeerde dochter. De RA heeft de samenstellingsverklaring afgegeven, terwijl de continuïteit aan gerede twijfel onderhevig was. Zonder passende toelichting.

De accountants keren zich tegen de hoogte van de maatregel. Voor de AA vinden zij een maatregel helemaal niet op zijn plaats, omdat deze als beginnend accountant slechts een ondersteunende rol zou hebben gespeeld. Een e-mail en zijn initialen c.q. paraaf bij een 'samenstelwaardige kolommenbalans' en op de jaarrekeningen 2016 spreken dit tegen.

In hoger beroep voeren de accountants ook ineens aan dat de AA tevens de relatiebeheerder was voor Energieflex. Het college vindt de timing opmerkelijk en twijfelt aan de geloofwaardigheid van die stelling. De RA was vakinhoudelijk meer betrokken bij de samenstelwerkzaamheden dan de AA, maar de AA heeft in de procedures bij de tuchtrechter met inconsistente en ongeloofwaardige verklaringen geprobeerd zijn rol te beperken tot die van uitvoerend assistent en relatiebeheerder. Ook hij heeft dus de fundamentele beginselen van integriteit respectievelijk vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden. Hij had een maatregel moeten treffen om het niet-integere handelen van zijn baas te beëindigen.

De ruggen van beide accountants waren kortom te flex.

*) De naam wordt hier genoemd, omdat het bedrijf failliet is.  

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.