Tuchtrecht

Kosten tuchtklacht 'wegcontracteren' mag niet

Accountants moeten zich ‘toetsbaar’ opstellen en mogen in de contract- of algemene voorwaarden dus niet bedingen dat de klant de kosten van een eventuele tuchtprocedure moet betalen.

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zaaknummers:
20/326 en 20/327 resp. 19/1625
Datum uitspraak:
21 december 2021
Oordeel:
hoger beroepen ongegrond / klacht deels gegrond resp. ongegrond
Maatregel:
waarschuwing resp. geen
Status:
definitief
Vindplaats:
ECLI:NL:CBB:2021:1100 , ECLI:NL:CBB:2021:1101

Lex van Almelo

Belangrijkste feiten

Een accountantskantoor van de big four controleert tot en met boekjaar 2015 de geconsolideerde jaarrekening van een zuivelcoöperatie. Eén van de registeraccountants van het kantoor is als groepsaccountant eindverantwoordelijk voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening van de divisie Consumer Products Asia (CPA). Een tweede registeraccountant controleert ten behoeve van de groep onder meer de divisie Cheese, Butter, Milkpowder (CBM) en rapporteert daarover aan de groepsaccountant.

Een (groot)handel in kaas en ‘cheesy’ activiteiten verkoopt in 2013 haar aandelen in twee bv’s aan een andere bv. Met deze transactie worden de twee kaasvennootschappen onderdeel van de CBM-divisie van de zuivelcoöperatie. Bij de aandelenverkopen wordt een earn-out afgesproken. De koper zal de jaarcijfers van één der kaas-bv’s over de jaren 2013-2015 zo spoedig mogelijk opstellen en laten controleren door de huisaccountant van de koper. Bij een onverhoopt conflict zal een derde accountant de bezwaren beoordelen.

In november 2015 brengt het accountantskantoor een ‘Early warning report management letter 2015’ uit aan de Koninklijke nv, die eigenaar is van de zuivelcoöperatie. In dit rapport staat onder meer dat het niveau van de IT-omgeving van één van de kaas-bv’s en de interne controles op bonussen en kortingen (enigszins) zijn verbeterd.

De coöperatie vraagt het accountantskantoor begin 2016 de jaarcijfers van deze kaas-bv te controleren. Het kantoor leidt dit verzoek door naar de tweede registeraccountant, die met de finance director van de CBM-divisie overlegt over de aanvaarding van de opdracht. De accountant wil de controle op zich nemen, maar dan wel onder de voorwaarde dat beide partijen:

  • optreden als opdrachtgever;
  • het accountantskantoor vrijwaren;
  • het eens zijn over de wezenlijke grondslagen bij het opstellen van de jaarrekeningen;
  • het met het accountantskantoor eens zijn over de toe te passen materialiteit en diepgang van de controle.

De verkoper/kaasgroothandel wijst de voorwaarden af. In mei 2016 probeert het accountantskantoor het opnieuw en stuurt een concept-engagement letter aan de koper en verkoper, waarin beide partijen als opdrachtgever zijn genoemd. Het kantoor wil met de engagement letter zijn onafhankelijkheid waarborgen.

In het concept wijst het kantoor erop dat het van 2013-2015 de controlerend accountant was van de nv en met de jaarrekeningen ook impliciet het geschatte earn-outbedrag heeft goedgekeurd. Verder staat in het concept dat beide partijen het kantoor zullen vrijwaren van claims en kosten van eventuele schadevergoedings- en/of tuchtrechtprocedures over de controle. De verkoper wijst de voorwaarden opnieuw af; de opdracht wordt niet verleend en uitgevoerd.

De kaasgroothandel begint een arbitrageprocedure. De arbiters zeggen begin 2018 dat de groothandel moet meewerken aan de controle van de geconsolideerde jaarcijfers van de coöperatie. De groothandel dient een klacht als de onderhavige in tegen de opvolger van de twee accountants. De Accountantskamer verklaart de klacht tegen de opvolger ongegrond. Al vóór die uitspraak heeft de kaasgroothandelaar een vergelijkbare klacht ingediend tegen de twee voorgangers, die:

a. in 2012-2015 de vaktechnische belemmeringen voor de controle van de jaarcijfers van één van de kaas-bv’s niet tijdig hebben gesignaleerd;

b. van 2012-2015 de aankomende bedreiging van hun onafhankelijkheid niet tijdig hebben gesignaleerd;

c. ten onrechte hebben verklaard dat zij in staat en bereid waren de controle van de jaarcijfers van één van de kaas-bv’s over 2013-2015 uit te voeren;

d. de opdracht tot controle van de jaarcijfers ten onrechte hebben aanvaard, omdat zij als huisaccountants van de koper niet onafhankelijk waren;

e. op ontoelaatbare wijze en in strijd met de Verordening inzake de onafhankelijkheid van accountants bij assurance-opdrachten (ViO) hebben geprobeerd het onafhankelijkheidsissue weg te contracteren;

f. de gebruikerswensen van de verkoper hebben genegeerd;

g. ernstige schade hebben toegebracht aan de procespositie van de verkoper, doordat zij zich bereid en in staat hebben verklaard de controle te verrichten;

h. met de verklaring dat zij de controle-opdracht konden uitvoeren extra onzorgvuldig hebben gehandeld, omdat zij wisten dat die verklaring gebruikt zou kunnen worden in een gerechtelijke procedure;

i. de beginselen van objectiviteit, onafhankelijkheid en zorgvuldigheid hebben geschonden, omdat de door hen gestelde voorwaarden de rechtsverhouding tussen de verkoper en koper vergaand veranderden ten gunste van de koper;

j. voor de verkoper de toegang tot de tuchtrechter hebben belemmerd, dan wel onmogelijk gemaakt.

De Accountantskamer verklaart klachtonderdeel j gegrond, de klachtonderdelen a en b niet-ontvankelijk, de klachtonderdelen c tot en met i ongegrond en legt een waarschuwing op. Zowel de klager als de accountants gaan in hoger beroep. De klager gaat bovendien in hoger beroep tegen de ongegrondverklaring van de klacht over ‘de opvolger’.

Beroepsgronden

Kaasgroothandel/verkoper

De klachtonderdelen a en b zijn ten onrechte niet-ontvankelijk en de klachtonderdelen c tot en met i ten onrechte ongegrond verklaard.

Accountants

De toegang tot de tuchtrechter is niet belemmerd, want de verkoper ging niet akkoord met deze voorwaarde; bovendien is een beding als dit gebruikelijk in de branche.

Kaasgroothandel/verkoper ten aanzien van de opvolger

Ook hier keert de groothandel zich tegen het gebrek aan onafhankelijkheid en zet hij vraagtekens bij de vaktechnische uitvoerbaarheid van de controle. Verder keert hij zich tegen het oordeel over het staken van het voorbereidend onderzoek wegens het indienen van de tuchtklacht en de bewering van de opvolger dat hij niets wist van de arbitrageprocedure.

Oordeel

Alle hoger beroepen van zijn ongegrond.

Hoger beroep kaasgroothandel/verkoper

Ad a en b Vaktechnische belemmeringen en bedreiging onafhankelijkheid

Het college vindt dat de Accountantskamer deze klachtonderdelen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de ceo van de kaasgroothandel het share purchase agreement heeft ondertekend.

Ad c Vaktechnische uitvoerbaarheid

De Accountantskamer legt de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch inzake Allposters/Pictoright verkeerd uit, meent de groothandel. Daaruit kun je, aldus de groothandel, wel degelijk de algemene regel afleiden dat je dit type ‘special purpose’ zaken jaren later niet meer kunt controleren. Dit blijkt ook uit deze uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een geschil van NS Stations met JCDecaux en het daarop volgende kortgedingvonnis over een executiegeschil. Verder heeft de Accountantskamer volgens de groothandel ten onrechte geen aandacht besteed aan de specifieke belemmeringen voor de uitvoering van de opdracht om een voorbereidend onderzoek te doen.

Over de belemmeringen voor de uitvoering zegt het college dat de accountants de groothandel in een e-mailbericht hebben gewezen op de voorwaarden die noodzakelijk waren om deze opdracht te kunnen aanvaarden en om de objectiviteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid tegenover de partijen te waarborgen. De partijen hebben deze voorwaarden besproken; de accountants hebben daarna de concept-engagement letter uitgebracht. Net als de Accountantskamer vindt ook het college dat de accountants nog zouden onderzoeken in hoeverre de opdracht haalbaar was en dus niet onvoorwaardelijk bereid waren de opdracht uit te voeren.

En net als de Accountantskamer vindt het college dat uit het arrest-Allposters/Pictoright niet de algemene regel is af te leiden dat je nooit een onafhankelijke controleverklaring kunt afgeven over een periode van enkele jaren geleden. Dat geldt ook voor het genoemde arrest in de zaak NS Stations/JCDecaux. Het college hecht niet zo veel waarde aan de opinie die de groothandel heeft overgelegd, omdat die voor een belangrijk deel steunt op het uitgangspunt dat een controle achteraf in een situatie zoals deze niet mogelijk is.

Volgens het college hadden de accountants gezien de genoemde specifieke belemmeringen niet al op voorhand hoeven concluderen dat de controle vaktechnisch onmogelijk was. Het valt weliswaar niet uit te sluiten dat zij bij de uitvoering van het onderzoek tegen  vaktechnische belemmeringen aan zouden lopen. Maar de genoemde belemmeringen zijn niet concreet genoeg voor het oordeel dat de controle onder geen enkele omstandigheid meer mogelijk was en dat de accountants dit dus niet konden onderzoeken.

Ad d en e Onafhankelijkheid

Of de ViO toepasselijk is, laat het college in het midden. De tekst van de ViO (zoals artikel 6 lid 3 en 4) lijkt erop te wijzen dat dat de ViO ook van toepassing kan zijn wanneer een opdracht nog niet is aanvaard. In de ViO wordt immers een aantal situaties genoemd waarin de accountant een opdracht moet weigeren. Maar of de ViO hier van toepassing is, maakt voor de uitkomst van deze zaak geen verschil. De accountants hebben namelijk niet in strijd gehandeld met de ViO noch met het objectiviteitsbeginsel uit de VGBA. Althans, dat heeft de groothandel onvoldoende onderbouwd, gezien het gemotiveerde verweer van de accountants dat het bij de controle van de jaarrekening en het treffen van een voorziening in het kader van een groepsjaarrekening om verschillende objecten en zaken gaat.

Het college is het niet met de groothandel eens dat de kans klein was dat de accountants hun rug recht konden houden tegenover de koper vanwege bijvoorbeeld de grote belangen van de koper. Dat het accountantskantoor huisaccountant was van de koper betekende op zichzelf niet dat zij geen onafhankelijk oordeel meer konden vellen. Omdat in de SPA is afgesproken dat de huisaccountant van de koper de controle van de jaarrekening van de kaas-bv zou verrichten, was het logisch om de beklaagde accountants te vragen voor de controle.

Het verschil van mening tussen koper en verkoper over de manier waarop de opdracht moest worden uitgevoerd, was geen reden om de opdracht bij voorbaat te weigeren. Het college sluit niet uit dat de accountants tijdens het onderzoek zouden aanlopen tegen één of meer bedreigingen voor de onafhankelijkheid en zij daarvoor passende maatregelen moesten treffen. Maar ook dat was geen dwingende reden om de opdracht bij voorbaat te weigeren.

Volgens klachtonderdeel e deed het kantoor een poging de vereiste onafhankelijkheid weg te contracteren door als voorwaarde te stellen dat de partijen instemden met een uitzondering op het onafhankelijkheidsvereiste. Ook hierbij volgt het college de Accountantskamer en is hij het niet met de groothandel eens. In de SPA is afgesproken dat de huisaccountant van de koper de controle van de jaarrekening van de kaas-bv op zich zou nemen. Het kantoor heeft als huisaccountant ook de groepscontrole van de zuivelcoöperatie uitgevoerd en in dat kader een oordeel gegeven over een te treffen voorziening in het kader van de SPA. Dan is het niet in strijd met de geldende beroeps- en gedragsregels om in de engagement letter te schrijven dat de groothandel heeft erkend dat de eerdere werkzaamheden voor de koper geen invloed hebben op de onafhankelijkheid.

Ad f Negeren gebruikerswensen verkoper

Volgens het college hebben de accountants terecht ook de koper als gebruiker van het resultaat van de controle aangemerkt. In de SPA van 2013 is afgesproken dat de koper de jaarrekeningen van de kaas-bv zou opstellen en dat de huisaccountant van de koper deze jaarrekeningen zou controleren. Na de controle zou de koper de earn-out berekening maken. De accountants wisten pas op 1 april 2016 dat de groothandel en de koper van mening verschilden over de manier waarop de controle moest worden uitgevoerd.

Het college is het dan ook niet met de groothandel eens dat de accountants de scope van de opdracht na 1 april 2016 hebben beperkt in het nadeel van de verkoper. Uit de dossierstukken blijkt dat zij zowel de groothandel als de koper hebben betrokken bij het overleg over de voorwaarden om de opdracht uit te voeren. Dat zij met die voorwaarden de verkoper hebben benadeeld is niet gebleken.

Ad g en h Schadelijke bereidverklaring

Volgens de groothandel hebben de accountants door te zeggen dat zij bereid en in staat waren de controle te verrichten:

  • ernstige schade toegebracht aan zijn procespositie (g);
  • extra onzorgvuldig gehandeld, omdat zij wisten dat die verklaring gebruikt kon worden in een gerechtelijke procedure (h).

Het college heeft al gezegd dat de Accountantskamer de klachtonderdelen c en d terecht ongegrond heeft verklaard en gaat daarom niet nogmaals in op die klachtonderdelen. De accountants hebben verklaard dat zij op geen enkele manier betrokken zijn geweest bij de arbitrageprocedure en de stukken die daar zijn overgelegd. Het college heeft geen aanleiding om daaraan te twijfelen.

Ad i Voorwaarden veranderen

Volgens de groothandel hebben de accountants de beginselen van objectiviteit, onafhankelijkheid en zorgvuldigheid geschonden door met hun voorwaarden de rechtsverhouding tussen de verkoper en koper vergaand te veranderen ten gunste van de koper. Het college vindt dat de groothandel dit verwijt onvoldoende heeft onderbouwd gezien het verweer van de accountants dat zij:

  • niet verantwoordelijk zijn voor de stellingen die de partijen hebben ingenomen in een arbitrageprocedure noch voor de uitkomst daarvan;
  • hierbij op geen enkele wijze betrokken zijn geweest, nu de arbitrageprocedure nog niet eens aanhangig was toen zij de concept-opdrachtbrief uitbrachten;
  • na medio 2016 tot aan de tuchtklacht in 2019 niets meer hebben vernomen over de earn-out jaarrekening en dus geen enkele reden hadden om de concept-opdrachtbrief terug te trekken;
  • de koper ook geen toestemming hebben gegeven de opdrachtbrief in de arbitrageprocedure te gebruiken;
  • niet hebben verklaard dat zij de opdrachtbrief nog handhaven.

Hoger beroep accountants

Ad j Toegang tuchtrechter

De accountants vinden dat zij de toegang tot de tuchtrechter niet hebben belemmerd. De opdracht tot controle van de earn-out jaarrekening is nooit verleend en de groothandel heeft dus ook niet ingestemd met de vrijwaringsclausule. Die clausule was dus niet van toepassing en vormde geen belemmering. Dat is in lijn met het oordeel van de Accountantskamer dat de ViO niet van toepassing was omdat er geen opdracht tot stand is gekomen (of dat echt zo is, laat het college dus in het midden, zie Ad d en e hierboven).

Maar zelfs wanneer de vrijwaringsclausule wel gold, zouden beide partijen de stap naar de tuchtrechter hebben kunnen maken, menen de accountants. De clausule gaat alleen over vergoeding van kosten en schade en beide partijen kunnen de advocaatkosten gemakkelijk vergoeden. Daar zijn geen honderdduizenden euro’s mee gemoeid, zoals de groothandel stelt. Die heeft ook helemaal geen druk ervaren, blijkens de verschillende tuchtklachten die hij heeft ingediend.

Een vrijwaring voor de kosten van een tuchtrechtelijke procedure kan in het algemeen worden ervaren als een drempel voor het indienen van een tuchtklacht. Maar in dit geval ligt dat echter anders volgens de accountants, omdat:

  • de controle van de earn-out-jaarrekening geen wettelijke, maar een vrijwillige controle is;
  • die controle alleen van belang was voor de twee partijen om een eventuele earn-out-betaling te berekenen;
  • verkoper en koper ondanks hun conflict wilden dat het accountantskantoor de earn-out-jaarrekening zou controleren;
  • het kantoor gezien dit conflict maatregelen moest treffen om zijn onafhankelijkheid te waarborgen;
  • het dubbele opdrachtgeverschap en een vrijwaring dus een logisch uitvloeisel waren;
  • de clausule bovendien nog onderhandelbaar was;
  • met de partijen is afgesproken dat het kantoor een concept-opdrachtbrief zou opstellen waarin onder meer een vrijwaringsclausule zou worden opgenomen;
  • de koper en de verkoper dan konden bezien of dit aanvaardbaar was;
  • dit dus geen noodzakelijke, harde voorwaarde voor aanvaarding van de opdracht was;
  • de groothandel de voorgestelde vrijwaringsclausule op geen enkele manier ter discussie heeft gesteld;
  • deze clausule dus niet de reden is dat de opdracht niet tot stand is gekomen;
  • de accountants de afdelingen Quality and Risk-management (QRM) en Legal hebben geconsulteerd voordat zij de vrijwaringsclausule voorstelden;
  • zij daarmee hun professionele verantwoordelijkheid hebben genomen, zoals het college eerder heeft geëist;
  • het in de branche gebruikelijk is om bij een conflict-gebonden opdracht nadere voorwaarden in de opdrachtbrief op te nemen.

Het college begrijpt de aarzelingen bij het aanvaarden van de opdracht nu er een hoogoplopend conflict was gerezen en de behoefte om problemen bij de uitvoering te voorkomen. Dit neemt echter niet weg dat als uitgangspunt in het tuchtrecht geldt dat een accountant zich in het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep toetsbaar moet opstellen. De gebezigde vrijwaringsclausule zal in het algemeen als een drempel voor het indienen van een tuchtklacht kunnen worden ervaren. Dat partijen in dit geval voldoende vermogend zijn om geen (financieel) beletsel te zien, doet niets af aan dit uitgangspunt (zie ook deze uitspraak van het college). Hetzelfde geldt voor de – niet onderbouwde – stelling dat een dergelijk beding in de branche gebruikelijk zou zijn.

Dat het uiteindelijk niet is gekomen tot een opdracht doet er ook niet toe, omdat de accountants de vrijwaringsclausule hebben opgenomen in een concept-opdrachtbrief en deze clausule aan partijen hebben gepresenteerd als een noodzakelijke voorwaarde. De accountants hebben dus inderdaad in strijd gehandeld met het fundamentele beginsel van professionaliteit.

Hoger beroep kaasgroothandel/verkoper ten aanzien van de ‘opvolger’

Het college verklaart het hoger beroep ongegrond. Wat betreft het vermeende gebrek aan onafhankelijkheid en de uitvoerbaarheid vanwege dezelfde argumenten als in de zaak tegen de voorgangers.

Wat betreft het staken van het voorbereidend onderzoek wegens het indienen van de tuchtklacht sluit het college zich aan bij de Accountantskamer. Uit de stukken uit 2016, die de klager noemt, blijkt weliswaar dat de groothandel twijfels had bij het uitvoeren van de controle door de opvolger, maar beide partijen mochten ervan uitgaan dat deze bezwaren niet meer golden op het moment dat de groothandel er toch mee instemde. De klacht die de groothandel later indiende, heeft de accountant terecht gezien als een bedreiging voor zijn onafhankelijkheid en objectiviteit.

Anders dan de groothandel vindt het college het evenals de Accountantskamer wel degelijk aannemelijk dat de accountant niet op de hoogte was van de (inhoud van de) arbitrageprocedure. De groothandel vindt dat de accountant volgens Standaard 501 de processtukken had moeten bestuderen en niet had mogen wegkomen met de – onbewezen – stelling dat hij heeft ‘weggekeken’ gedurende de arbitrage. Hij wist of had moeten weten dat de controle (vrijwel zeker) niet haalbaar zou zijn. Volgens het college is echter niet gebleken dat de accountant al op voorhand wist of moest weten dat de controle vaktechnisch niet haalbaar zou zijn. Hij had dus geen reden om dit te melden aan de arbiters en de groothandel.

Maatregel

Waarschuwing resp. geen.

Annotatie Lex van Almelo

De eigenaar van een kaasgroothandel verkoopt zijn aandelen in twee bv’s voor 65 miljoen euro en zal via een earn-out nog maximaal 25 miljoen extra ontvangen;. De ‘huisaccountant’ van de koper, een Koninklijke zuivelcoöperatie, zal de jaarrekeningen controleren en zo de hoogte van de earn-out bepalen.

Nadat arbiters hem tot meewerken hebben gedwongen, stemt de verkoper er uiteindelijk in toe dat de accountant de jaarrekeningen controleert. Als de groothandel/verkoper tuchtklachten indient, staakt de accountant meteen zijn voorbereidende werkzaamheden. Daarna moeten twee andere accountants van het kantoor de earn-out vaststellen door de jaarrekeningen te controleren van de kaas-bv’s. Maar de groothandelaar gaat niet akkoord met de opdracht en de voorwaarden. Zo zouden de opdrachtgevers alle kosten van een eventuele tuchtrechtprocedure moeten betalen. Die voorwaarde stelden de accountants omdat het huns inziens ging om een ‘conflictgebonden’ opdracht. Ook vecht de groothandel de onafhankelijkheid van de accountants aan, die zich in zijn ogen nooit bereid hadden mogen verklaren om deze controle-opdracht uitvoeren.

Volgens de groothandel was de controle-opdracht vaktechnisch onmogelijk, omdat die pas jaren later werd uitgevoerd. Uit deze uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een geschil van NS Stations met JCDecaux en het daarop volgende kortgedingvonnis over een executiegeschil blijkt volgens de groothandel dat je nooit een onafhankelijke controleverklaring kunt afgeven over een periode van enkele jaren geleden. Maar volgens de Accountantskamer kun je die algemene regel niet afleiden uit de genoemde rechtspraak. Ook het college vindt dat de accountants niet al op voorhand hoefden te concluderen dat de controle vaktechnisch onmogelijk was.

De ViO staat zo’n opdracht niet in de weg. Volgens de accountants en de Accountantskamer is de ViO niet toepasselijk, omdat de opdracht niet is aanvaard. Het college beaamt dit niet, maar laat het in het midden. De tekst van de ViO lijkt erop te wijzen dat dat de ViO ook van toepassing kan zijn wanneer een opdracht nog niet is aanvaard. Zo rept artikel 6 lid 3 en 4 bijvoorbeeld van ‘weigert of beëindigt de assurance-opdracht’ en worden in de verordening enkele situaties genoemd waarin de accountant een opdracht moet weigeren. Maar of de ViO hier nu wel of niet van toepassing is, maakt niet uit, zegt het college. De groothandel heeft namelijk onvoldoende onderbouwd dat de accountants in strijd hebben gehandeld met de ViO of het objectiviteitsbeginsel uit de VGBA.

In de opdrachtvoorwaarden hebben de accountants een vrijwaringsclausule opgenomen, die erop neerkomt dat de opdrachtgevers de kosten van eventuele (tucht)procedures zouden moeten vergoeden. De Accountantskamer vindt het onprofessioneel om zo de toegang tot de tuchtrechter te belemmeren. Maar de accountants verweren zich in hoger beroep onder meer met het argument dat het om een conflictsituatie ging, de opdrachtovereenkomst niet tot stand is gekomen en de partijen dus niet gebonden waren aan de clausule. De partijen waren bovendien bemiddeld genoeg om de advocaatkosten van de aangeklaagde accountants te betalen. Bovendien was de clausule geen breekpunt en gebruikelijk in de branche.

Ondanks begrip voor de aarzelingen om de opdracht te aanvaarden gezien het hoogoplopend conflict hamert het college erop dat in het tuchtrecht als uitgangspunt geldt dat een accountant zich in het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep toetsbaar moet opstellen. De gehanteerde vrijwaringsclausule zal in het algemeen als een drempel voor het indienen van een tuchtklacht kunnen worden ervaren. Dat partijen in dit geval voldoende vermogend zijn, doet daaraan niets af (zie ook deze uitspraak van het college). Dat de clausule gebruikelijk is in de branche – de accountants hebben dit niet aangetoond - doet evenmin iets af aan dat uitgangspunt. En opdracht of niet - de accountants hebben de clausule gepresenteerd als een noodzakelijke voorwaarde. Kortom, ook in een conflictsituatie mag je het de klant niet lastig of duur maken om een tuchtklacht in te dienen.

reacties

Reageren op een artikel kan tot drie maanden na plaatsing. Reageren op dit artikel is daarom niet meer mogelijk.

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.