Verslaggeving

Over toeval, keuzes en bepalende kruispunten

Martin Hoogendoorn is al ruim veertig jaar een bekend gezicht in de wereld van de externe financiële verslaggeving. Hij combineerde jarenlang zijn hoogleraarschap met een rol als partner bij EY. Begin dit jarig ging hij met pensioen en kijkt terug op de ervaringen, mensen en ontwikkelingen die hem het meest zijn bijgebleven. "Als ik echt had moeten kiezen, dan was het toch de universiteit geworden."

Luc Quadackers

Martin Hoogendoorn wordt geboren in 1959 en groeit op in Zoetermeer, als oudste van vier broers. Hij komt uit een 'echt arbeidersmilieu', zoals hij zelf zegt: zijn vader is elektricien en zijn moeder huisvrouw. Op de lagere school is hij een al een zeer serieuze leerling en slaat daar zelfs een klas over. Op de middelbare school gaat het ook voorspoedig en een universitaire studie ligt dus voor de hand.

Martin Hoogendoorn tijdens zijn afscheidsrede op 13 maart 2026.

"Ik vond het vak Economie II ontzettend leuk en interessant, niet in de laatste plaats door mijn zeer bevlogen docent. Dat zijn van die gelukkige toevalligheden, kruispunten die de rest van je leven bepalen. Het was dus best snel duidelijk dat het een economiestudie zou gaan worden. Van mijn middelbare schoolgenoten ging echter niemand naar de Erasmus Universiteit en er ging überhaupt niemand economie studeren. Dat maakte het voor mij bijzonder spannend, en voor mijn ouders ook. Onze studerende overbuurjongen werd om advies gevraagd, zeker ook omdat mijn vader vond dat ik bij een studentenvereniging moest gaan, omdat ik anders misschien zou vereenzamen. Onze buurjongen zei dat ik bij het corps zou kunnen gaan. Ik vroeg me af wat ik bij het koor zou moeten doen, 'want ik kan toch helemaal niet zingen'. Dat geeft wel aan hoe naïef ik toen nog was en hoe onbekend wij waren met studeren aan een universiteit."

Studentenvereniging

Hoogendoorn wordt echter geen lid van het Rotterdams Studentencorps, maar sluit zich aan bij SSRR, het Societas Studiosorum Reformatorum Roterodamensis, een protestants-christelijke vereniging.

"Dat was een vormende ervaring, want bij een studentenvereniging word je best in het diepe gegooid. Je wordt ontgroend en je moet leren om je in groepen te gedragen. Het thema van de vereniging was 'pluto'. Dat stond voor 'pluriform en tolerant'. We accepteerden veel verschillende soorten mensen en waren tolerant naar elkaar toe. Dat idee past nog steeds goed bij mij, denk ik. Een aantal mensen waarmee ik toen bij de vereniging ben gekomen, zie ik nu na vijftig jaar nog steeds. Dus zo’n vereniging schept wel een levenslange band.”

Eerst blijft Hoogendoorn nog wat op de achtergrond, maar daar komt vrij snel verandering in.

'Een aantal mensen waarmee ik toen bij de vereniging ben gekomen, zie ik nu na vijftig jaar nog steeds.'

"In mijn tweede jaar zei een van de ouderejaars bij de vereniging dat hij mij wel zag zitten en dat ik de praeses moest worden van het dispuut waarin ik zat. En zo geschiedde. Het was natuurlijk prettig dat iemand zijn vertrouwen in je uitsprak. Ik voelde daardoor meer verantwoordelijkheid en mijn zelfvertrouwen groeide. Ook dit was weer een belangrijk kruispunt, een stap in mijn ontwikkeling. Vanaf dat moment ben ik ook op kamers in Kralingen gaan wonen. Dat scheelde reizen en mijn moeder hoefde ook niet meer bezorgd te wachten tot ik soms om half vijf 's nachts met de brommer thuiskwam."

In zijn derde jaar, in 1979, wordt Hoogendoorn student-assistent bij de vakgroep kosten en winstbepalingsvraagstukken, nadat hij zonder enige verwachting solliciteerde op die plek. Een goede vriend had hem op de advertentie gewezen.

"Ook deze toevalligheid is zeer bepalend geweest voor mijn verdere toekomst. Ik liep onder andere mee met hoogleraar Burgert. Ik moest zijn tas dragen en in de pauzes koffie voor hem halen. Hij stelde nooit vragen en leek niet echt geïnteresseerd in mensen. Er waren vaak pijnlijke stiltes. Ik deed echter wel leuke dingen. Een van mijn taken als student-assistent was het opstellen van de 'kosten en winst nieuwsbrief'. Er bestonden toen nog geen databases met wetenschappelijke artikelen. Ik bekeek daarom alle relevante tijdschriften en haalde daar de artikelen uit die betrekking hadden op financial accounting en management accounting. Ik maakte daarvan korte samenvattingen en die werden elke maand gepubliceerd voor vakgenoten die daarin interesse hadden. Iedereen kon zich daarop abonneren."

Promotie

Van het één kwam het ander. Na zijn afstuderen in 1982 wordt Hoogendoorn gevraagd om bij de vakgroep te blijven werken. "Rien van Hoepen was toen de opkomende man bij de vakgroep. Van Hoepen was een heel ander mens dan Burgert, een verademing, veel meer een mensenmens. Die was geïnteresseerd en liet ook de ruimte. Ik kon tegelijkertijd de accountantsopleiding gaan volgen, want ik wilde graag registeraccountant worden. De helft van mijn tijd besteedde ik aan mijn proefschrift en de resterende tijd was gevuld met onderwijs en met mijn rol als secretaris van de vakgroep."

'Ik vond het natuurlijk wel leuk dat mijn onderzoek zo'n impact had.'

In 1990 promoveert Hoogendoorn op een proefschrift over stelselwijzigingen en earnings management. "Mijn basishypothese was dat ondernemingen waarmee het wat slechter ging, dat probeerden te maskeren door het doorvoeren van stelselwijzigingen. Ik vond inderdaad als resultaat dat winstverhogende stelselwijzigingen werden doorgevoerd in jaren dat de winst achteruitging. Een van mijn conclusies was dat Philips in een bepaald jaar een enorm groot verlies leed, maar door stelselwijzigingen toch winst wist te rapporteren. Het was in feite het grootste verlies ooit. Dat resultaat stond toen op de voorpagina van Het Parool. Ik vond het natuurlijk wel leuk dat mijn onderzoek zo'n impact had. En het viel op. De regelgeving is later overigens aangescherpt. Vrijwillige stelselwijzigingen komen amper nog voor. Beïnvloeding van winst gebeurt nu subtieler, bijvoorbeeld met schattingswijzigingen. Dat is veel minder zichtbaar."

Praktijk

Hoogendoorn ambieert echter meer dan alleen het universitaire werk. "Tijdens mijn promotieperiode bedacht ik dat een combinatie tussen de universiteit en de accountantspraktijk een heel mooie invulling van mijn werkzame bestaan zou zijn. Ik wilde niet alleen maar bezig zijn met wetenschap. De meeste collega's op de universiteit waren fulltime docent. Er werd misschien af en toe een artikeltje geschreven, maar dat was het dan ook wel. Ik wilde meer. Ik ben daarom met vijf grote kantoren gaan praten over de mogelijkheden. Ik koos in 1989 voor de voorganger van het huidige EY, omdat zij het enige kantoor waren dat het niet alleen goed vond dat ik de helft van mijn tijd op de universiteit zou blijven besteden, maar aangaf dat zij dat zelf ook graag wilden. Aangezien ik de praktische aspecten van het controlevak nog niet in de vingers had - er was toen nog geen verplichte praktijkstage - moest ik aan de basis beginnen. Ik heb toen veel geleerd van NIVRA-studenten, ook al was dat voor hen best een beetje ontluisterend. Ik kwam daar binnen op oudere leeftijd, was al jaren registeraccountant, zonder ervaring, en zij moesten mij dingen leren, terwijl ze zagen dat ik veel sneller promotie zou gaan maken. Maar het was een aangename tijd."

'Ik heb toen veel geleerd van NIVRA-studenten, ook al was dat voor hen best een beetje ontluisterend.'

Al vrij snel wordt Hoogendoorn gevraagd voor een hoogleraarschap aan de Universiteit van Amsterdam, in 1992. "Ik was registeraccountant en gepromoveerd. Die combinatie kwam toen nog heel weinig voor en dat maakte mij een interessante kandidaat. Het was een bijzondere kans die ik graag heb benut, al had ik het zeer naar mijn zin bij de Erasmus Universiteit. Ik heb van 1992 tot 2003 aan de UvA gewerkt en was tegelijkertijd partner bij EY, vanaf 1995. In 2003 heeft de Erasmus mij gevraagd om terug te keren."

Bij EY krijgt hij trouwens later best tegendruk als hij aangeeft, zoals gepland, vooral vaktechniek te willen doen en voor de helft aan de universiteit bezig te willen zijn. "Ze wilden mij als hoogleraar graag koppelen aan grote controlecliënten en ze zagen mij op termijn mogelijk als de tekenend accountant van ABN-Amro, toen de grootste cliënt van EY. Maar ik had helemaal geen zin in de weg daarnaartoe en naar de uiteindelijke bestemming. Het zou ongetwijfeld ten koste gaan van mijn werk op de universiteit. Dit speelde overigens nog voor mijn partnerschap in 1995, dus of ik partner zou worden was best nog spannend. Maar ik vond dat EY er het meeste profijt van had als ik dingen kon doen die ik zelf leuk vond en die nuttig waren voor EY. En als we tot de conclusie zouden moeten komen dat dat niet meer bij elkaar paste: dan maar geen partner worden, dan zou ik wel wat anders zoeken. Ik kreeg gelukkig uiteindelijk toch voldoende steun voor mijn keuze."

Vaktechniek

Als Hoogendoorn begint bij vaktechniek, is de afdeling nog klein. "Vaktechniek was nog weinig proactief. Het was meer een helpdesk dan een actieve kwaliteitsbewaker. Langzamerhand kwam er echter een enorme opwaardering van het belang van vaktechniek. Tegenspraak richting de praktijk werd steeds belangrijker en er waren mensen nodig die hierin ook sturend en besluitvormend konden optreden. Zeker na Enron kregen we veel meer bevoegdheden. Er kwamen verplichte reviews en er was toestemming nodig van vaktechniek voordat kon worden afgetekend. Dat is een heel belangrijke ontwikkeling. Mochten er problemen ontstaan, qua spanning tussen vaktechniek en commerciële belangen, dan was overigens voorzien dat in extreme gevallen escalatie naar het bestuur zou plaatsvinden, zodat daar op basis van risicoanalyse een beslissing kon worden genomen. Het is heel bijzonder dat daar in al die jaren nooit gebruik van is gemaakt.

'Langzamerhand kwam er een enorme opwaardering van het belang van vaktechniek.'

Op een gegeven moment zag je de omslag dat partners ons niet meer als een vervelende afdeling zagen, maar dat ze zichzelf ook wel prettiger en beter beschermd voelden als onze specialisten meekeken. Het is eigenlijk maar één keer uit de hand gelopen. Bij een beursgenoteerde klant ontstond een harde confrontatie over een twijfelachtige vordering op de balans. Wij waren ervan overtuigd dat de transactie niet reëel was en wilden daarom geen goedkeurende verklaring afgeven. Dat leidde tot stevige druk: dreigende advocaten, juridische claims en zelfs een sfeer van intimidatie tijdens gesprekken bij de klant, compleet met een grote hond voor de deur van hun kantoor. Uiteindelijk hebben wij ons met veel gedoe teruggetrokken als accountant. De cijfers zijn toen eerst zonder accountantsverklaring gepubliceerd en later wel van een verklaring voorzien, door een klein onbekend kantoor. De onderneming ging echter een jaar later failliet. Dat zie ik toch als een bevestiging dat vasthouden aan vaktechnische principes soms zwaar is, maar uiteindelijk wel de enige juiste keuze is."

Je hebt ook nog een aantal interessante nevenfuncties vervuld?
"Ik wil zeker de Raad voor de Jaarverslaggeving (RJ) noemen, waar ik twintig jaar actief was. De RJ belichaamt een beetje het poldermodel op het gebied van verslaggeving, met informatieverschaffers, gebruikers en accountants. Uiteindelijk moeten zij het met elkaar eens worden over de regels, via een mooi democratisch proces. Daardoor bevatten de regels een soort innerlijke waarde. In de richtlijnen staat ook dat je gegronde redenen kunt hebben om daarvan af te wijken. Dat vind ik bij uitstek principles-based en ik vind de RJ op dat punt eigenlijk beter dan IFRS. Dat werkt overigens ook de andere kant op. Het betekent namelijk ook dat als het navolgen van de regel onvoldoende blijkt te zijn, dat je dan meer moet doen. Je hebt dus de innerlijke verplichting om je te verplaatsen in de ontvanger van de informatie. Dat is heel waardevol.

Naast de RJ wil ik ook graag mijn rol als raad bij de Ondernemingskamer noemen, waar ik sinds 2007 actief ben.  Onder leiding van raadsheren behandelen we complexe conflicten binnen ondernemingen, variërend van onderzoeken naar het bestuursbeleid tot conflicten tussen aandeelhouders, en ook geschillen over jaarrekeningen. Juist die samenwerking tussen juridische en financiële expertise spreekt mij aan. Ik haal veel voldoening uit het helpen oplossen van conflicten. Vaak zien we een cry for help, waar het niet primair gaat om een onderzoek naar de gang van zaken, maar om het vinden van de beste manier om van elkaar afscheid te nemen. Regelmatig lukt het om tijdens de zitting tot een oplossing te komen, waardoor de partijen weer verder kunnen. Dat vind ik heel mooi."

Je was hoogleraar op twee plekken, maar je hebt minder gepubliceerd dan tegenwoordig gebruikelijk is. Hoe kijk jij daar tegenaan?
"Mijn bijdrage ligt vooral op het terrein van regelgeving, conceptuele vraagstukken en het onderwijs. Ik heb uiteraard de nodige artikelen geschreven over externe verslaggeving en ik werkte onder andere mee aan diverse studieboeken, maar empirisch onderzoek in academische zin was nooit mijn hoofdactiviteit. De nadruk op publicaties in toptijdschriften is de afgelopen decennia sterk toegenomen, terwijl mijn kracht juist lag in de verbinding tussen wetenschap en praktijk. Ik pleit vanuit die invalshoek graag voor een bredere visie op wat een hoogleraar kan bijdragen. Naast onderzoek zouden ook onderwijs, maatschappelijke impact en praktijkervaring een belangrijke rol moeten blijven spelen. Wat mij betreft heeft de universiteit behoefte aan een herwaardering van een divers en pluriform docentenkorps, waarin niet alleen de toponderzoeker, maar ook de praktijkhoogleraar een waardevolle plaats heeft."

'Mijn bijdrage ligt vooral op het terrein van regelgeving, conceptuele vraagstukken en het onderwijs.'

Je bent relatief vroeg gestopt als partner, op je 55ste. Waarom?
"Ik heb altijd gezegd dat ik als partner zou stoppen op mijn 55ste en dan weer volledig op de universiteit zou terugkeren tot aan mijn pensioengerechtigde leeftijd. Dat is ook gebeurd en daar heb ik nooit spijt van gehad. Het werd na EY een stuk rustiger en dat vond ik prettig. Als partner sta je voortdurend aan. Ik kon overigens altijd goed de knop omzetten. Ik heb nooit 's nachts gewerkt en niet vaak in de weekenden. Ik kon ook op vakantie en in de weekenden goed  'compartimenteren' en problemen parkeren. Problemen werden pas weer actief als ik aan het werk ging. Misschien was dat ook gewoon een manier om te overleven. Ik voelde de stress uiteraard ook, maar voor mij was het vooral wezenlijk om in control te zijn. Ik zei daarom soms gewoon nee op vragen. Dan werd ik bijvoorbeeld om advies gevraagd door een accountant die op weg was naar de vergadering van de raad van commissarissen, of iets door de beugel kon. Daar ging ik niet op in. Ik wilde de tijd nemen om dingen uit te zoeken. Ik heb overigens het geluk gehad dat ik in mijn hele carrière nooit een dag heb verzuimd. Ik heb wel eens een been gebroken, maar dat was in de vakantie."

Wat vond je de leukste bezigheid uit je carrière?
"De combinatie tussen praktijk en universiteit vond ik optimaal, maar als ik echt had moeten kiezen, dan was het toch de universiteit geworden.

'Het lesgeven vond en vind ik toch wel het leukste om te doen.'

Het lesgeven vond en vind ik toch wel het leukste om te doen; studenten enthousiasmeren en feedback krijgen, mensen die accounting saai vinden laten zien dat het een ontzettend leuk vak is.
Het gaat niet alleen maar om de regeltjes, Het gaat om communicatie met de buitenwereld. Kijk eens naar zo'n jaarrekening en probeer hem eens te lezen. Kijk eens naar wat voor beleidsaspecten erachter zitten. Er zit een heleboel verborgen communicatie in. Echt heel interessant. Het is niet alleen maar een compliance-oefening. Als ze dat inzien, vinden ook niet-accountants een jaarrekening over het algemeen veel boeiender dan ze in eerste instantie denken."

Nog actief

Na zijn afscheid denkt Hoogendoorn nog niet aan volledig stoppen. "Ik blijf op de EUR nog op de achtergrond beschikbaar voor advies en ondersteuning, als 'nestor' bij het Erasmus Institute of Business Economics (EIBE). Ook blijf ik nog bij de Ondernemingskamer actief. Daar ligt de pensioenleeftijd rond de zeventig jaar en dat werk geeft veel voldoening. Tegelijkertijd kijk ik ernaar uit om het wat rustiger aan te doen en meer tijd te besteden aan lezen, wandelen, fietsen, reizen, musea bezoeken en naar het theater gaan. Geen spectaculaire hobby's dus. En ik zal altijd registeraccountant blijven. Ik zal mijn titel koesteren tot in de kist."

Accountant.nl publiceerde eerder al een samenvatting van de afscheidsrede van Martin Hoogendoorn en een impressie van zijn afscheidssymposium.

Luc Quadackers is eigenaar van Margila en knowledge dissemination consultant bij de Foundation for Auditing Research.

Gerelateerd

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.