Tuchtrecht

Gerechtsdeurwaarder blijft BFT achtervolgen

Een gerechtsdeurwaarder, die na een onderzoek van het BFT uit zijn ambt is gezet, heeft een vierde klacht ingediend tegen drie BFT-accountants. Opnieuw vangt hij bot.

Accountantskamer

Zaaknummers:
14/1184, 14/1185 en 14/1186 Wtra AK
Datum uitspraak:
23 maart 2015
Oordeel:
ongegrond, niet-ontvankelijk
Maatregel:
geen
Status:
bevestigd, CBb 31 oktober 2016, AWB 15/328
Vindplaats:
ECLI:NL:TACAKN:2015:43 , Samenvatting CBb-uitspraak

Lex van Almelo

Belangrijkste feiten

Een gerechtsdeurwaarder heeft volgens het Bureau Financieel Toezicht (BFT), dat belast is met het preventief financieel toezicht op gerechtsdeurwaarders, een negatieve bewaringspositie. Het BFT stelt verder vast dat de gerechtsdeurwaarder herhaaldelijk zijn financiële en administratieve verplichtingen niet nakomt.

Namens het bureau dienen drie registeraccountants een klacht in bij de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders (KvG). In december 2010 ontzet deze tuchtrechter de deurwaarder uit zijn ambt. Het Gerechtshof Amsterdam bekrachtigt deze beslissing in januari 2011.

De voormalig gerechtsdeurwaarder dient in augustus 2011 klachten tegen de drie BFT-accountants in bij de Accountantskamer, die de klachten ongegrond verklaart. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevestigt deze uitspraak.

In mei 2012 dient de gerechtsdeurwaarder een tweede klacht in tegen één van de BFT-accountants. Deze klacht wordt niet-ontvankelijk verklaard. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven verklaart het hoger beroep tegen deze beslissing gegrond en laat de Accountantskamer de zaak overdoen.

In een nieuwe beslissing verklaart de Accountantskamer deze klacht op alle onderdelen ongegrond. De deurwaarder is hiertegen in hoger beroep gegaan. Het college heeft hierover nog geen beslissing genomen.

In september 2013 dient de deurwaarder een derde klacht in tegen de drie BFT-accountants. De Accountantskamer verklaart deze klachten op alle onderdelen niet-ontvankelijk/ongegrond. Het hoger beroep tegen deze uitspraak loopt nog.

In december 2014 dient de deurwaarder opnieuw een klacht in tegen de drie accountants, die inmiddels niet meer werken bij het BFT.

Klacht

De accountants hebben:

a. een bewaringstekort van 356.347 euro (ultimo 2009) en een bewaringstekort van 276.874 euro (op 26 maart 2010) zonder nader onderzoek ‘als juist’ opgevoerd in hun tuchtklacht, terwijl er geen berekeningsmethodiek was, zij zelf geen berekening hebben gemaakt en het bewaringstekort niet heeft bestaan;

b. in 2010-2011 in de tuchtprocedure verwezen naar een onjuiste aangifte van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) zonder eerst de deurwaarder te horen en de juistheid van de aangifte te onderzoeken;

c. in oktober 2010 naar willekeur een tuchtklacht tegen de deurwaarder ingediend, waarbij de accountants niet geheel objectief zijn geweest in hun bejegening.

Oordeel

De klacht is niet-ontvankelijk dan wel ongegrond.

Ontvankelijkheid

De Accountantskamer neemt een klacht niet in behandeling als bij het indienen drie jaren zijn verstreken sinds de klager heeft geconstateerd of redelijkerwijs heeft kunnen constateren dat het handelen of nalaten in strijd is met de accountantswetgeving of met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

Verder druist het in tegen de eisen van een behoorlijke tuchtprocedure als een klager een klacht indient die gebaseerd is op een feitencomplex dat al ten tijde van een eerdere klacht bij de klager bekend was of redelijkerwijs had kunnen zijn (zie ook hier). Die eisen houden ook in dat een klager zijn klachten tegen een accountant zoveel mogelijk tegelijk in één tuchtprocedure aanhangig maakt, zeker als alle klachten gebaseerd zijn op hetzelfde feitencomplex, zoals nu het geval is.

De klachtonderdelen a, b en c zijn alle drie te laat ingediend, omdat de deurwaarder meer dan drie jaar voordat hij deze klacht indienden op de hoogte was van de verweten feiten.

Wat klachtonderdeel a betreft verwijst de Accountantskamer nog naar de eerdere uitspraak dat eerder gemaakte verwijten slechts onder zeer bijzondere omstandigheden opnieuw aan de Accountantskamer kunnen worden voorgelegd voor een inhoudelijke beoordeling. De e-mailberichten van november en december 2009 en januari en maart 2010, die de klager heeft overgelegd, vormen samen niet zo’n bijzondere omstandigheid. Al was het maar omdat de klager het daarin opgenomen feitencomplex al kende (of had kunnen kennen) toen hij zijn eerste klacht indiende. Dit geldt ook voor het verwijt dat de accountants de tekorten niet zelf hebben berekend of gecontroleerd. Daarover zei de Accountantskamer in de genoemde uitspraak al dat niet aannemelijk was geworden dat de klager dit destijds niet wist.

De KBvG en het BFT hanteren per 1 december 2013 (nieuwe) regels voor de berekeningsmethodiek en de waarderingsgrondslagen om de bewaringspositie te bepalen. In tegenstelling tot wat de deurwaarder meent, is dit geen nieuw feit dat een nieuwe inhoudelijke toetsing door de tuchtrechter rechtvaardigt.

In de eerste klacht heeft de deurwaarder zich er al over beklaagd dat de accountants de KvG zonder hoor en wederhoor informatie hebben verstrekt in verband met de verlenging van diens schorsing. De Accountantskamer heeft die klacht ongegrond verklaard en in hoger beroep heeft ook het CBb afwijzend beslist. Er zijn geen bijzondere omstandigheden waarop de deurwaarder een nieuw verwijt kan baseren of waardoor hij de klacht opnieuw kan voorleggen aan de Accountantskamer. Dat de accountants destijds niet zelf de juistheid van bedoelde aangifte hebben vastgesteld, had de klager al kunnen weten tijdens de behandeling van de eerste klacht.  Klachtonderdeel b is ook daarom niet-ontvankelijk.

Ook voor klachtonderdeel c zijn er geen omstandigheden aangedragen die alsnog tot een behandeling nopen.

Ad a

Als dit klachtonderdeel toch ontvankelijk zou zijn, is het ongegrond. Gezien het uitvoerige en gedocumenteerde verweer van de accountants heeft de klager de feitelijke grondslag van dit klachtonderdeel niet aannemelijk gemaakt.

Bovendien wijzen de nieuwe regels om de bewaringspositie te bepalen er niet zonder meer op dat de accountants in 2010 onjuist en tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld. Als achteraf zou blijken dat er geen bewaringstekort heeft bestaan, wil dat nog niet zeggen dat de accountants toen niet:

  • mochten afgaan op de cijfers die de deurwaarder verstrekte;
  • een tuchtklacht konden indienen bij de KvG.

Ad b

Mocht dit klachtonderdeel toch ontvankelijk zijn, dan is het ongegrond. Het BFT mag informatie waarover het beschikt, inbrengen in een tuchtrechtelijke procedure zonder de juistheid daarvan te onderzoeken, als de klager zich in die procedure kan verweren. Dat het Openbaar Ministerie de zaak vanwege de ernstige persoonlijke gevolgen voor de klager heeft geseponeerd, houdt niet in dat de KBvG “ten onrechte” aangifte zou hebben gedaan van verduistering.

Ad c

Mocht dit klachtonderdeel toch ontvankelijk zijn, dan is ook dit ongegrond. De klager heeft de tuchtrechtelijke relevantie van de beweerde willekeur niet aannemelijk gemaakt als je het afzet tegen:

  • de nuanceringen die de accountants in hun verweer hebben aangebracht;
  • de kansen die het BFT de deurwaarder heeft geboden om de tekorten te herstellen.

De klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat de accountants niet objectief hebben gehandeld vanwege een verwevenheid tussen leden van de KBvG en een opleidingsinstituut.

Maatregel

Geen.

reacties

Reageren op een artikel kan tot drie maanden na plaatsing. Reageren op dit artikel is daarom niet meer mogelijk.

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.