Statistical auditing

Van geld naar grondstof; restwaarde controleren aan het begin van een nieuw auditdomein

Het werk van de accountant verandert door de invoering van een meer circulaire economie. De waarde van materialen in onroerend goed krijgt daardoor in toenemende mate een expliciete plaats op de balans.

Wouter Gerards

Wat aanvankelijk een duurzaamheidsvraagstuk was, ontwikkelt zich steeds duidelijker tot een vraagstuk van kapitaal, risico en informatie. Naast de gebruikswaarde wordt ook de economische restwaarde een relevante balanspost. Denk aan de Ellen MacArthur-smartphone: de gebruikswaarde van de telefoon neemt af, terwijl het goud en platina erin hun intrinsieke waarde behouden.

Voor de balansbepaling worden intrinsieke restwaarde, demontagekosten, transport en opslag integraal tegen elkaar afgewogen. Zodra de economische restwaarde zichtbaar wordt, ontstaat onvermijdelijk een auditvraag; niet over circulariteit als beleidsdoel, maar over de betrouwbaarheid van het gepresenteerde bedrag.

Hier ligt een duidelijke rol voor de accountant. Het auditdoel blijft ongewijzigd: het beperken van materiële fouten in de jaarrekening. Restwaarde staat los van gebruikswaarde.

Om dit onderscheid scherp te krijgen, moeten vier elementen systematisch worden onderscheiden:

  1. Kwantiteit van materialen: hoeveel staal, beton en glas is daadwerkelijk aanwezig.
  2. Prijs en demontagekosten: de marktprijs van ruwe materialen en de kosten voor demontage.
  3. Vrijkomende kosten: kosten voor opslag, transport en overige logistieke handelingen.
  4. Mate van zekerheid: de betrouwbaarheid van de aannames en gegevens bij de eerste drie punten.

Materialenpaspoort

Dat dit onderscheid nodig is, werd op het platform Madaster al in 2017 herkend. Zij introduceerden het materialenpaspoort, waarin bovenstaande elementen gekwantificeerd worden. Voor slechts een klein deel van de vastgoedvoorraad, voornamelijk recentere (circulair ontworpen) gebouwen, zijn er materialenpaspoorten. Deze paspoorten functioneren als een taxatierapport voor de prijs van ruwe materialen en voor demontagekosten.

Het bestaande vastgoed en de infrastructuur vormen echter een blinde vlek. Hiervoor bestaan inmiddels oplossingen, zoals de samenwerking tussen MAECONOMY en Madaster, die op basis van publieke en niet publieke data de bestaande bebouwde omgeving en infrastructuur inzichtelijk maken, zonder dat voor ieder object een materialenpaspoort hoeft te worden opgesteld of een inspectie moet worden uitgevoerd.

De controle-intensiteit wordt bepaald door de combinatie van de waarde en de onzekerheid daarover. Hoe hoger de waarde of hoe groter de onzekerheid, des te meer rechtvaardigt dat een intensievere controle.

Dit begint bij de interne auditor. Als op de balans bijvoorbeeld een flatgebouw uit 2004 staat en er geen betrouwbare informatie beschikbaar is over demontagekosten of de (her)bruikbaarheid van vrij te maken materialen, is aanvullende zekerheid gerechtvaardigd. Dit kan bijvoorbeeld door het opstellen van een materialenpaspoort of het uitvoeren van een verificatie, omdat het potentiële foutbedrag substantieel kan zijn. Daarentegen zijn rijtjeshuizen uit grootschalige wijken, bouwjaar circa 1980, vaak homogeen: kwantiteit en kwaliteit van materialen zijn uniformer, de onzekerheid kleiner en het opbrengstpotentieel lager. Extra controle-inspanningen zijn in die gevallen minder snel nodig.

Risicologica

De inschatting van controle-intensiteit volgt de klassieke risicologica: de combinatie van potentiële afwijking van materieel belang en de kans dat die afwijking zich voordoet. Dit sluit direct aan bij ISA 315 en ISA 330. Een hoge potentiële waarde, in combinatie met grote onzekerheid in de onderliggende aannames, leidt tot een verhoogd ingeschat risico en daarmee tot een zwaardere controlerespons.

In een circulaire economie verandert niet wat wij controleren: de euro blijft de euro. Wel verandert de behoefte aan betrouwbaarheid, zowel intern als extern. Aangezien restwaarde op de balans in euro’s wordt uitgedrukt, blijft de Monetary Unit Sample een logisch uitgangspunt voor het bepalen van de controle-intensiteit. Om rekening te houden met onzekerheden in kwantiteit, kosten en prijzen en met andere statistische parameters, is echter een diepere statistische benadering noodzakelijk. In een volgende bijdrage ga ik hier verder op in.

Wouter Gerards studeerde in 2009 af in de financiële economie aan de Maastricht University en doceerde aansluitend econometrie. Sinds 2010 is hij werkzaam in het publieke domein, met ervaring variërend van rechtmatigheidscontroles vanuit de rijksoverheid, het beheer van financiële vaste activa van provincies en de P&C-cyclus binnen gemeenten. In samenwerking met Ed Broeze ontwikkelde hij een controlemethodiek voor het ministerie van Sociale Zaken, voor de rechtmatigheidscontrole op Europese structuurfondsen.

Gerelateerd

reacties

Reageer op dit artikel

Spelregels debat

    Aanmelden nieuwsbrief

    Ontvang elke werkdag (maandag t/m vrijdag) de laatste nieuwsberichten, opinies en artikelen in uw mailbox.

    Bent u NBA-lid? Dan kunt u zich ook aanmelden via uw ledenprofiel op MijnNBA.nl.